Categorie archief: Wedstrijd

Het pontje zal nooit meer hetzelfde zijn.

Peter Pontje

Bij ons in de stad kende iedereen Peter van het pontje. Dag in dag uit door weer en wind trok Peter zijn pontje van de steiger net buiten de stad naar de stadskade.
Als klein kind al ging ik met Peter mee. Niet omdat het moest, maar voor het avontuur. Want over de brug was ook een weg.
Ongeduldig wachtend op de steiger. Ja, ja, hij vertrekt aan de overkant!
Sneller dan verwacht over de wiebelende loopplank aan boord stappen.
Een kaartje kopen, waarbij Peter altijd weer even vriendelijk knikte. Vooral natuurlijk bij een tip in de fooienpot.
Het beste plekje uitzoeken waar je het beste de hele IJssel langs kon turen.
Je gedachten laten verdwijnen in de golven die de dwars op het water voortgetrokken pont veroorzaakte.

Hij had voor iedereen aandacht en een praatje klaar…

Peter kon vertellen als geen ander. Had voor iedereen aandacht en een praatje klaar. Hij20160709_161332 wist alles over veerponten, varen en de IJssel. En de goede luisteraar kon zijn platte eigengemaakte dialect zelfs verstaan.
Je aandacht werd getrokken naar de peuk die steevast tussen zijn lippen hing en zich wonderbaarlijk tussen het gebabbel door niets van de zwaartekracht aantrok.
Peter hoorde bij de stad. Hij had eigenlijk een lintje moeten krijgen.

Vandaag vaart Peter zelf mee. Er is een andere kapitein op het veer. Hij is vast aardig, maar hij is niet Peter.
Marietje, de vrouw van Peter staat op de kade en houdt hem stevig vast.
Op de kade staan veel te veel mensen. Lang niet iedereen kan mee. Ook aan de andere kant, bij de steiger, staat een menigte te wachten.
Bij het kopen van een kaartje tikt de kapitein niet op zijn pet. Hij draagt niet eens een pet.
Het is gek en stil op de pont. Iedereen mist Peter. Alle ogen zijn op hem gericht, in de armen van Marietje. In het midden van de IJssel neemt Marietje de deksel van de urn en strooit Peter uit, om te verdwijnen in de golven.

Het pontje zal nooit meer hetzelfde zijn.

Schrijfwedstrijd Vereniging voor Voetveren

‘Morgen zou je vast in deze wereld wakker willen worden, maar vind je het zelf ook niet een beetje ongeloofwaardig?’

Mijn topper Hugh Grant

Het gefluit van vogeltjes dringt langzaam tot me door.
Top! Net voor de wekker wakker.
Even later vult een mannenstem de slaapkamer: ‘Dit is het NOS Journaal. Goede morgen. In Brussel heeft de wereldtop gisteren een vruchtbare conferentie gehad. Er is besloten om meer input te leveren aan de medische wetenschap en het ondersteunen van de natuur.
De samenvoeging van verschillende geloofsovertuigingen blijkt een succes. Door wederzijds begrip is men er achter gekomen dat de verschillende overtuigingen niet wezenlijk anders zijn. Wederzijds respect doet de rest. Daarom is er meer te besteden aan zinvolle zaken.’

Terwijl de man nog verder vertelt, denk ik glimlachend aan mijn oude overbuurman uit Congo. Gisteren werd hij verwend met een heerlijk geurende avondmaaltijd, verzorgd door zijn Marokkaanse bovenbuurvrouw.
Toen Martha, zijn Joodse schoondochter, de deur open deed keek hij even om het hoekje. Ik zag hem zelfs vanaf de overkant van de straat een traantje wegpinken. Hij is oud en ziek, maar hij heeft een fijne hulp die altijd voor hem klaar staat. Eigenlijk zorgt iedereen voor hem. En verdiend ook, want hij heeft altijd hard gewerkt. Hij hoeft zich gelukkig nergens zorgen om te maken.

Heerlijk die wereld politiek! Af en toe vallen mijn ogen nog even zorgeloos dicht en ik vang wat flarden op van het journaal:

‘In het Nationaal Oorlogsmuseum zijn de bewijsmaterialen opgesteld van een verleden waarin de mensen elkaar daadwerkelijk na het leven hebben gestaan’

En:
‘Laatste mens in hongersnood gevonden: het wordt een uitstervend ras!’

Ik rek me uit en stap uit bed om de kleintjes wakker te maken. Beneden ontdek ik dat mijnbreak-18987_960_720 liefhebbende wederhelft al een heerlijk ontbijtje staat klaar te maken.
Eén voor één druppelen de kinderen aangekleed en wel beneden. Na een dikke knuffel pakken ze hun tasjes in en schuiven aan tafel.
Zelf schiet ik boven in mijn kleren en check mezelf nog even voor de spiegel. Top outfit en strakke bbb! Make-up slaan we een keertje over vandaag. Ik zie er al stralend genoeg uit!

Na een dag fijn werken stap ik ’s avonds moe maar voldaan in bed voor een diepe slaap.
Midden in de nacht, word ik wakker. Op het randje van mijn bed zit mijn topper Hugh Grant en hij zegt met een zucht: ‘Morgen zou je vast in deze wereld wakker willen worden, maar vind je het zelf ook niet een beetje ongeloofwaardig?’

Wedstrijd ‘Heel Nederland schrijft 2016’ Thema: Stel je voor…

Meld je nu aan voor de nieuwsbrief!

Ik schrijf je een liefdesbrief. Veel te vroeg moet ik je loslaten. Bedankt lieve man, jij was het beste wat een andere man zich wensen kan.

Ons leven samen

Voor het eerst in de lange tijd die we samen zijn schrijf ik je een brief,
een liefdesbrief. In een poging mijn liefde voor jou uit te drukken in woorden. Om je nog één keer te vertellen hoeveel ik van je hou..

Over onze eerste ontmoeting, een dag die ik me als gisteren kan herinneren: Bevrijdingsdag 1956. Je was behoorlijk in de olie, omdat je de hele dag feest had gevierd in Amsterdam.
Met je ingedronken moed durfde je mij uit eten te vragen.
‘Nee, natuurlijk niet!’ zei ik zonder er al te lang over na te denken.
Ik was nog een jonge kerel en erg onzeker in die tijd. Toch had ik me al genoeg op mijn hart laten trappen om niet op de eerste de beste avances in te gaan. Tegenwoordig is het niet eenvoudig om uit de kast te komen en in die tijd leek het mij zelfs onmogelijk.
Tegen de tijd dat het licht begon te worden ging ik met je mee naar huis en ik ben nooit meer weg gegaan.

Bij jou vond ik het leven wat ik begeerde. Het mooiste leven wat een man zich wensen kan.
Eerdere hartbrekende escapades, kortstondige romances en andere relaties, die alleen maar hadden geleid tot die onzekerheid en veel verdriet, waren in één klap vergeten.
Vanaf die dag waren wij één. Geen onzekerheid, geen verdriet meer. Ik was thuis in onze rustige haven. Wetend dat we elkaar nooit zomaar zouden verlaten.

We vierden, genoten en fietsten door het leven.

We deelden de ellende en pijnen. Jij steunde mij in alles. Jij… mijn betrouwbare, grappige en passievolle minnaar.
We hebben ons omringt met familie en lieve vrienden. Onze kinderen groeiden gezond op en hebben een goed leven. Een betere vader had ik hen niet kunnen bedenken en wat was het een mooie klus om hen samen met jou groot te brengen.

In al die jaren, gingen er weinig dagen voorbij dat we elkaar niet zagen. Alle keren dat ik uit was zonder jou, was ik blij weer thuis te zijn. Weer in bed tegen je warme lijf aan glijden. Weer te ontdekken dat je het beste bent wat me ooit is overkomen. Nooit konden de verleidingen zo groot zijn, dat ze jou overtroffen. Jij blijft de mooiste, de leukste, de liefste. Mijn alles…

De kinderen kregen onze kleinkinderen. Je volle bruine haren werden dun en grijs. Nu we oud zijn klopt mijn hart nog steeds jong voor jou.
Maar jouw kaars is bijna opgebrand en tot de dood ons scheidt is misschien morgen al. Veel te vroeg moet ik je loslaten.
Desondanks was het een geweldig avontuur. De pijn dat jij mij moet gaan verlaten wordt overschreeuwd door al het moois wat ik van jou heb mogen krijgen.
Mijn lieve lieve man, bedankt voor ons leven samen.

Wedstrijd ‘Elle Liefdesbrief ‘ 1 maart 2016

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Yanti

In een veel te dun jurkje stapt Yanti, met slechts één klein koffertje, onzeker maar vastberaden uit het vliegtuig. Buiten heeft ze haar eerste kennismaking met sneeuw. Weliswaar een dun laagje, maar genoeg om de landingsbanen op lichten.
Gelukkig vloog haar toestel na een lange vertraging wel. Weg van Indonesië, weg van huis. Ze is pas 17 jaar, maar zo klaar met het leven daar.
Het was ‘gewoon’ om al jong regelmatig genomen te worden door oom Ivan. Iedereen wist het en niemand deed wat. Vervolgens gingen de steeds wisselende vriendjes van haar moeder er zonder pardon ook maar over haar heen.
Tot ze Ari ontmoette. In zijn gespierde armen voelde ze zich veilig. Al hield hij er wel meerdere vrouwen op na.

Buiten het vliegveld wacht ze in de kou op haar zus Maran, die ze nu al vijf jaar niet heeft gezien. Haar dunne jas bedekt zich met kleine smeltende sneeuwvlokjes. Is dit de belofte voor een nieuw leven?
De gedachte aan vreselijke kerels geeft haar een afschuwelijk smerig gevoel.
Er kan niet genoeg sneeuw vallen om die gorigheid van haar af te spoelen. Maar het gat in haar hart wordt veroorzaakt door iets heel anders…
Ongewild dringt zich steeds het beeld van de rug van Ari op, in het bed van haar moeder. Samen met de overdreven kreunende kreten van haar moeder die onder Ari vandaan komen.

Met een warme winterjas omhelst en kust Maran haar en trekt haar in de auto. Onderweg rijden ze langs een grote kerk, verlicht door vuurkorven. Gedreven door iets onbekends, roept Yanti: ‘Stop!’
Geschrokken trapt Maran op de rem.
Als betoverd stapt ze uit en loopt naar de vuurkorven, gevangen door de warmte die ze afstralen. Het knisperen van de sneeuw onder haar voeten geeft haar zowaar een blij gevoel!
Yanti heeft helemaal niets met de kerk en het geloof in God heeft ze allang geleden verloren. Maar iets trekt haar. Het zingen komt haar tegemoet. Terwijl ze de dikke jas van Maran stevig dicht trekt loopt ze door. Een nieuw gevoel vult haar.
Binnen wordt ze verwelkomt, alsof ze hier trouwe gast is. Het kaarslicht in de kerk  geeft een sfeervol licht. De geur, de warmte, het gevoel, verdrijft de kilte in haar binnenste. Even… heel even, voelt ze zich bevrijd.

Wedstrijd Heel Nederland schrijft: Wintervertellingen

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Waarom schrijven…

Wie ben ik tussen de honderd miljard sterrenstelsels waartussen ons melkwegstelsel zich bevindt. Waar ons zonnestelsel slechts als een zandkorreltje is ten opzichte van honderd miljard zandkorrels. Wie ben ik tussen de zeven miljard mensen op de aarde, gelegen in ons zonnestelsel. Zeker als ik stil en geruisloos zou verschijnen en verdwijnen.

Ik wil van me laten horen. Mogelijk wil niemand luisteren en is het ijdele hoop. Een illusie misschien?

Maar toch…

Wat als iemand écht zou luisteren…

Eén klein moment in de oneindigheid van tijd wordt er misschien een andere koers gezet.

Met overgave deel ik haat te laten en lief te hebben. Voor mens, dier, de natuur, voor alles en iedereen. Ras, geloof, geaardheid, kleur of ander verschil, we zijn allemaal in nietigheid gelijk. Gelijk en allemaal verantwoordelijk voor een schone zandkorrel.

Al bereik ik maar één mens. Eén mens kan een zandkorrel worden. Ik blijf dromen van een strand of een woestijn. Dan zal ik een stem tussen de honderd miljard sterrenstelsels zijn.

Wedstrijd Creatief Schrijven vzw: ‘Waarom schrijf jij?’

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Kort verhaal over kindermishandeling. Afschuwelijk dat het nog steeds kan gebeuren dat kinderen in een kast opgesloten worden! 'Mijn broertje Olivier'

Mijn broertje Olivier

Het is aarde donker. Zachtjes wrijf ik over de zere plekken op mijn armen.
Waarom toch? Wat heb ik verkeerd gedaan?
Voorzichtig probeer ik me om te draaien in de krappe ruimte. Hoe lang zou ik hier al zitten en hoe lang duurt het nog? De tranen op mijn wangen zijn opgedroogd en de plas die ik moest laten lopen voel ik al niet meer.
Beneden hoor ik haar nog steeds razen tegen mijn twee jaar jongere broertje Olivier.
Als ik bijna in slaap val, wat haast onmogelijk is in deze houding, schrik ik wakker van de krakende trap. Ze komt er aan!
Al mijn spieren verkrampen en ik knijp mijn ogen dicht. Na wat gerommel aan het slot, gaat met een zwaai de deur van de trapkast open.
‘Zo jij rotjoch! Kom jij er maar eens uit’. Met haar hand, met de akelig lange nagels wil dat pleegmens me grijpen en ik deins achteruit.

Gillend als dat kleine kind van toen, schiet ik overeind in bed. Het zweet gutst van mijn lijf. Drie uur zegt de wekker. Naast me ligt mijn vrouw Dorien luid te snurken en gaat daar onverstoorbaar mee door.
Het was een nachtmerrie, zoals bijna elke avond.
Dorien is er ondertussen wel aan gewend geraakt. Bijna elke avond komt dat mens van vroeger weer terug in mijn dromen. Ziek ben ik er van.
Als mijn ademhaling weer tot rust is gekomen, kruip ik tegen Dorien aan op zoek naar een beetje troost. Wachtend tot de slaap me weer te pakken heeft.

Olivier heeft straf gekregen, waarvoor weet ik niet en hij waarschijnlijk ook niet.
Hij staat nu al een uur in de koude regen in zijn hemd en onderbroek. Ik probeer niet naar buiten te kijken, me er niet mee te bemoeien, anders ben ik aan de beurt.
Ik speel wel met de lego, maar van binnen huil ik en ben ik bij Olivier. Hij is nog zo klein.
Ze schopt mijn bouwwerk kapot, maar zonder iets te zeggen raap ik de boel weer bij elkaar en begin opnieuw. Daar wordt ze alleen maar nog bozer van. Ik snap er niets van, maar veel tijd om er over na te denken krijg ik niet. Voor ik het in de gaten heb hang ik aan mijn oor te bungelen en prikken haar gore lange nagels me in mijn vel. Aan mijn oor word ik naar boven gesleurd.
‘Jij denkt dat je het altijd beter weet hé snotjong! Ga uit mijn ogen! Naar je bed!’
Met een klap kom ik neer op de grond van de slaapkamer en de deur wordt dicht gesmeten.
Veel later, ik weet niet hoeveel maar het is al donker, schrik ik wakker omdat er plotseling een koude stroom lucht onder mijn dekens doorkruipt.
Het is Olivier. Een natte en verkleumde Olivier die naast me onder de dekens kruipt.
Ik sla mijn arm om hem heen en knip het nachtlampje aan. Zijn ogen kijken me met zo’n intense pijn en verdriet aan. Er gaat een rilling door me heen, gevolgd door een pijnscheut van verdriet. Mijn schuldgevoel raakt me zo keihard, dat mijn maag ervan omdraait.

Met een schok ben ik weer wakker, terug in mijn eigen bed, naast Dorien.
Even knippert Dorien met haar ogen en fluistert zuchtend, ‘ga toch slapen’.
Ja slapen, kon ik maar gewoon gaan slapen, de nacht duurt nog zo lang.
Ik durf allang niet meer gewoon te slapen. Mijn nachten zijn al zo lang zo beangstigend, dat ik het liefst nooit meer zou slapen. De sterren staan nog volop te schitteren aan de hemel, maar voor mij is het een pikdonkere nacht en mag het al weer ochtend worden. Vier uur, er lijkt weer geen eind aan te komen. Maar uiteindelijk stelt de geur van Dorien me gerust , zodat ik weer langzaam weg kan glijden in die onrustige slaap.

Olivier ligt niet meer naast me. De plek waar hij heeft gelegen is nog nat van de regen, maar Olivier is er niet meer. Nergens in huis kan ik Olivier vinden.
Mijn hart begint sneller te kloppen en ik ben op mijn hoede. Wat heeft ze met Olivier gedaan! Ik durf het haar niet te vragen.
’s Avonds nadat ik een bord eten toegeschoven heb gekregen, krijg ik als toetje de mededeling dat Olivier weg is en niet meer terug komt.
Nee! Dat kan niet, dat mag niet, Olivier is mijn broertje!
Ik durf niets te zeggen, alleen de tranen kan ik niet tegenhouden.
‘Huilen! Jij huilen! Ik zou moeten huilen’ en ze slaat me zo hard dat mijn gezicht in mijn bord beland.
‘Ga je wassen, stuk ongedierte!’ Als een machine was ik mijn gezicht en daarna rol ik me op als een bolletje in mijn bed. Nooit meer wil ik uit mijn bed komen.
Waar is hij? Wat moet ik nu zonder Olivier. Wie zal hem nu beschermen. Of leeft hij niet meer. Misschien heeft ze hem wel doodgeslagen, vermoord!

Dit keer word ik huilend wakker van Dorien die mij zachtjes in haar armen wiegt.
Het is fijn, maar ik schaam me ook. Een grote kerel huilend als een kind in de schoot van zijn vrouw. Huilend om Olivier. Weer voel ik dezelfde leegte als toen en er gaat geen dag voorbij, dat ik niet aan hem denk. Nooit heb ik meer iets van hem gehoord. Ik heb gezocht, maar niet gevonden.
Zonder iets te zeggen blijft ze me een poosje zo wiegen.
Wat voor een mens ben ik toch, gebroken, beschadigd, niets meer waard. Geen vrouw waard. Maar Dorien blijft me stevig vast houden.
De minuten tikken door op de wekker. De slaap heeft me bijna weer te pakken. De hel van deze nacht is nog steeds niet voorbij.

Steeds dieper kruip ik onder de dekens als ik haar de trap op hoor stampen. Maar ik wil niet meer naar school, ik wil niet meer leven.
Met een zwaai gaat de slaapkamerdeur open. Zonder iets te zeggen grijpt ze me bij mijn haren en sleurt me het bed uit. Gillend van de pijn rol ik achter haar aan de trap af.
Onder aan de trap blijft ze staan. Met de plukken haar met huid en al in haar gore handen. Even lijkt ze er van te schrikken, maar dat was misschien mijn fantasie, want al snel begint het schreeuwen.
‘Je denkt toch niet dat je als een lui varken in je bed kan blijven liggen! En ik zeker gezeik krijgen met school! Opsodemieteren!’
Ze slaat de voordeur achter me dicht.
Mijn hoofd bloed. Kleine straaltjes bloed druppelen op mijn pyjama. Ik durf de school niet in en sta buiten voor het raam te kijken. Niemand die me ziet, niemand die me mist.
Ik hoor er niet bij. Ik hoor bij niemand.

Weer wakker wrijf ik over de kale plekken met littekens op mij hoofd. Mijn leven vol littekens. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat ik bij dat vreselijke mens moest blijven wonen. Waarom heeft niemand een hand uitgestoken, waarom was ik zo alleen.
Dorien kruipt in haar slaap dichter tegen me aan en bedekt mijn littekens.
Die verdomde nachtmerries. Ik wil rust. Wegvallen in een diepe vergetende slaap.
Als ik me omdraai, weg van de dromen, voel ik mijn ogen weer zwaar worden.

Het lijkt een gewone dag net als andere, alleen is het mijn verjaardag. Ze zal niet eens weten dat het mijn verjaardag is.
De laatste tijd is het rustig. Ik denk dat ze bang voor me is. Ik ben te groot en te sterk geworden.
Al de hele week word ik gevuld met een gemengd gevoel van onbestemde angst en spanning en een vreemd soort rust. Nu ik oud genoeg ben, kan ze me niets meer maken.
Ik blijf geen minuut langer meer in deze hel. Ik vertrek.
Lange tijd, ik weet niet hoeveel weken, zwerf ik door verschillende dorpen en steden om maar zo ver mogelijk bij haar vandaan te komen. Af en toe slaap ik kort in een parkje, eet uit een prullenbak, maar ik moet verder, ver weg van haar.
De laatste dag van mijn zwerven word ik gewekt door een aardig uitziende oude man.
Zijn weiland met paarden was mijn slaapplek die nacht.
Met zijn ruwe maar vriendelijke werkhanden trekt hij me omhoog en laat me niet meer los. ‘Hoe heet je jongeman?’ Met mijn ogen knipperend tegen het felle zonlicht vliegen gedachten razendsnel door mijn hoofd. Zonder aarzelen noem ik een naam die mijzelf verrast en vanaf dat moment lijkt het of de deur van een nieuw leven een klein beetje open gaat. Hij neemt me op en zegt dan: ‘Volgens mij kun jij wel een goede boterham gebruiken!’

De zon schijnt door een kiertje van het gordijn. De donkere nacht is voorbij. De deur van mij leven staat nog steeds op een kier. Maar slechts een kier geeft al zoveel meer licht. Dorien komt de slaapkamer binnen. ‘Olivier, ben je wakker? ‘
Oliver, mijn broertje, ik zal je nooit, maar dan ook nooit vergeten.

Links:
Veilig thuis
Stop Huiselijk Geweld
Advies en Meldpunt Kindermishandeling

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Het vreemde huis

‘Oma ik heb zo’n honger en ik moet zo nodig’. ‘Nou Suus, dan moeten we hier maar even aanbellen. Je mag vast wel even plassen en misschien hebben ze ook nog wel een boterhammetje voor je.’ ‘Oma doe toch niet zo raar’, bromde mijn grote broer Tom. ‘Nee, als Suus moet plassen, moeten we toch wat, anders doet ze het nog in haar broek’, zei oma beslist. ‘Oh kijk nou, de deur gaat helemaal vanzelf open! Er is helemaal niemand thuis…’ Donderdag was Omadag. Paps en mams waren dan niet thuis en oma haalde ons van school. Oma kon dan, tot grote ergernis van paps, nog even goed poetsen en ’s avonds stond het eten al klaar. Oma at natuurlijk mee: macaroni, elke donderdag. Oma duwde onze eigen voordeur open en riep alsof het echt was: ‘Is daar iemand!’ Het was grappig en bijna spannend. Vol verwachting keken we nieuwsgierig door de open deur naar binnen in het ‘vreemde’ huis. ‘Ga dan maar snel even naar de wc Suus, er is toch niemand.’ ‘Maar oma’ speelde ik heel serieus mee, ‘je mag toch niet zo maar in een vreemd huis gaan plassen?’ ‘Ach dat vinden ze vast niet erg. In zo’n mooi huis wonen vast heel aardige mensen’. Oma had overal antwoord op. Tom kon het niet laten en deed toch met ons mee: ‘Zal ik kijken of ze hier een broodje voor ons hebben?’ ‘Ja doe jij dat maar. Wat een ontzettend mooi huis hè?’ Samen met oma bewonderde ik alle spullen alsof we ze voor het eerst zagen… ‘O kijk nou oma! Ze hebben ook een slaapkamer met een kinderbedje! Dan kan kleine Pim hier ook even zijn middagslaapje doen.’ ‘Nou ja zeg, ze hebben ook een meisjes fiets in de schuur waar ik precies op pas oma!’ Het hele huis werd doorzocht en opnieuw ontdekt. En wat bleek? Er woonde een jongen nèt zo oud als Tom en een baby nèt zo oud als Pim. En het meisje wat er woonde was toevallig nèt zo oud als ik. Nu was het toch al zo laat geworden dat oma ook maar wat moest gaan koken. Gelukkig vond ze nog een groot pak macaroni in de kast. Ach nu we er toch waren konden we er ook wel blijven slapen, er waren precies genoeg bedjes. Steeds weer een ander huis, steeds weer een ander avontuur, steeds meer mooie herinneringen.

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Micro-schrijfwedstrijd ‘Waanzin’

In het kader van de aankomende Boekenweek in maart heeft de redactie van Schrijven Online een micro-schrijfwedstrijd bedacht met het thema ‘waanzin’. De schrijfwijsheden moeten wel over schrijven gaan en mogen niet langer zijn dan 30 woorden.

Mijn  inzending:

‘Voor waanzinnige schrijfsels worden woorden gekneed, leestekens toegevoegd samen met een handjevol poëzie. Maar de smaak van het baksel, zal ook voor de schrijver een verrassing zijn.’