Categorie archief: Kinderverhalen

vluchtelingen

Fragment uit Manuscript ‘Nadim’

Het is stil.
Ik sta midden in de stad, met hordes mensen om me heen, maar het is stil.
In tegenstelling tot mijn binnenkant. Mijn gedachten flitsen in sneltreinvaart met een hoop lawaai door mijn hoofd. Ik wil achter hem aan rennen, hem tegenhouden maar mijn voeten staan als vastgelijmd aan de grond.
Ik kan hem wel wat aandoen, zou hem uit verrot willen schelden, hem willen slaan. Waarom doet hij dit. We hadden het toch goed samen?
Hoe is het mogelijk dat ik mezelf zo voor de gek heb laten houden. Zijn warmte, zijn liefde, zijn romantiek en zijn kussen..
Was het dan allemaal nep?

Het dringt nog niet goed door wat er is gebeurd. Op de automatische piloot fiets ik naar huis. Helemaal verkleumd en verdwaasd kom ik binnen en plof op de bank.
Er is niemand thuis. Ik voel me verlaten en alleen.
Zelfs Daan thuis had ik nu fijn gevonden. Mijn vingers zijn gevoelloos. Mijn hoofd zit vol en mijn tranen beginnen te stromen. Hoe warmer ik word des te pijnlijker het voelt.vluchtelingen

Tegen vieren komt Daan thuis van zijn handbalwedstrijd. Nog steeds zit ik met mijn jas aan op de bank.
‘Eh, alles goed Juul?’
Hij klinkt zelfs een beetje bezorgd.
Mijn tranen zijn even op, maar ik heb er geen woorden voor om Daan te vertellen wat er is gebeurd. Ik haal alleen maar mijn schouders op. ‘Ben je ziek of zo?’ Weer haal ik mijn schouders op en schud tegelijkertijd nee.
‘Moet ik mama even halen?’ Dan rolt er weer een traan over mijn wang.
‘Ik ga mama wel even halen.’

Kennelijk zijn mijn vader en moeder bij de buren of zo want binnen een paar minuten staan mijn moeder en ook mijn vader op de stoep. Daan heeft vast verteld dat ik ziek ben, want direct voelt mijn moeder aan mijn voorhoofd of ik koorts heb.
Ik heb geen zin om te praten. Al zou ik er over willen praten, ik zou het niet kunnen. Mijn keel wordt dichtgeknepen en er komen geen woorden. Daarom laat ik me maar als een zieke behandelen en binnen de kortste keren lig ik in bed met een dampende kop thee naast me. Mijn moeder vindt het heerlijk om me te kunnen vertroetelen en ik laat het maar over me heen komen. Ik ben al blij dat ze het niet af doet als puberteitdrama.
Laat me maar slapen, dan is morgen alles anders. Ik ben doodop, ik kan niet meer. Als ik slaap dan is het net of het niet gebeurd is.
Morgen weer.

Voor mijn gevoel is het midden in de nacht als ik wakker word van de deurbel. Met één oog probeer ik de cijfers op mijn wekker helder te krijgen. 05.37 Jemig. Welke gek staat er op zondag om deze tijd bij ons op de bel te drukken.
En nog een keer. Aan het gestommel op de trap hoor ik dat mijn vader de trap afloopt.
Ik blijf luisteren. Het zijn vast een paar idioten die dronken uit de stad komen en kinderachtig aan het belletje trekken zijn. Maar als hij de deur open doet hoor ik mijn vader zacht praten.
Wie is dat aan de deur? Wat is er aan de hand.
Nu schuifelt mijn moeder van de trap af. De voordeur gaat dicht en mijn vader en moeder gaan met de vroege deurbeller de kamer in.
Kak, de kamerdeur gaat dicht. Nou hoor ik helemaal niks meer. Snel trek ik een trui over mijn pyjama heen en sluip naar beneden. Op de overloop hoor ik het gesnurk van Daan.
Bij hem kun je een bom afschieten naast zijn bed, dan wordt hij nog niet wakker.

Beneden op de gang hoor ik mijn vader en moeder druk in de weer en zachtjes praten.
Ik hoor nog een andere stem. Een bekende stem, maar ik kan het nog niet thuisbrengen. Het lijkt wel of er wordt gehuild.
Dan hoor ik de stem snikkend zeggen: ‘Ik heb er zo spijt van.’
Nou ja zeg! Dat is Nadim! Wat een watje zeg. Een beetje mooi praten bij mijn ouders!
Ik sta al met de deurklink in mijn handen om te protesteren als ik hem verder hoor praten. ‘Ik weet niet meer wat ik moet doen, ik kan niet meer, ik kan zo niet meer.’
Het klinkt zo hartverscheurend dat al mijn boosheid en eerdere verdriet omslaat.
Wat is er toch? Ik moet naar hem toe.
Onder een paar dekens zit een bibberende Nadim. Een eenzame traan loopt over zijn wangen.
Hij ziet er niet uit. Mijn stoere knappe vriend, zit daar in elkaar gedoken op onze bank, niet stoer te zijn, maar intens verdrietig.
Fragment uit Manuscript ‘Nadim’

Roze veren

Auteur: Liselotte Schippers
Illustrator: Dick Rink

imageKlik op het boek voor het verhaal!

Als de roze uil op een dag uit zijn nest vliegt, wil niemand met hem spelen. Ze vinden roze uiltjes akelig en slap. Roze veren zijn voor meisjes en misschien geven ze wel af. Zou de slimme, kippige mol, wel met hem willen spelen?

Het roze uiltje krijgt er kriebels van.
Hij snapt zelf niet hoe dat kan.
Uil vind mol zo’n lieve schat,
hij is verliefd! Hoe vind je dat?

Een boek met rijmpjes over anders zijn, voor kinderen vanaf 4 jaar.


Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

 

Fragment uit Manuscript:

‘Meer dan 100 Nachtjes’

…”Het is laat geworden, maar toch ben ik vroeg wakker.
Ik hoor de trap kraken. Zoals altijd op de zevende tree.
Op de wekker staat kwart over vijf.
Papa gaat naar beneden en snel spring ik mijn bed uit.
Op de overloop bots ik tegen Nine aan.
Het gaat nu echt gebeuren. Papa gaat met het vliegtuig naar Zuid Soedan.
We moeten papa gedag zeggen!

Beneden staat mama een boterhammetje te smeren voor papa.
Papa krijgt wat extra tranen op zijn boterham van mama.
Mama vindt het ook helemaal niet leuk dat papa zo lang weg gaat.
Daar is oom Koen al. Hij brengt papa naar het vliegveld.
Papa gaat weg.
Meer dan 100 nachtjes.”…

Fragment uit manuscript:

Vladi Vleermuis – Vladi en de Vlegels

Paultje Pad en Elsje Egel zijn te laat
Zoals het altijd bij hen gaat
Ze waren vast weer aan het klieren
Het zijn twee echte klierdieren

Vladi wordt door hen gepest
Ook al doet hij nog zo zijn best
Na schooltijd is het vaste prik
Ze roepen: ‘Vladi is een bangerik!’

Dikke tranen huilt Vladi Vleermuis
en vliegt terug naar zijn onderstebovenhuis
Zijn papa zegt keer op keer
‘Laat ze toch kletsen Vladi, luister niet meer’

Maar ook de volgende dag, het is toch wat
‘Vladi is een babymuis!’ roept Paultje Pad
‘Ha ha, hij slaapt nog met een knuffeldier’
O bah, wat heeft Elsje Egel een plezier

‘Ga toch aan de kant jij vlegel’
Roept Miesje Muis tegen de Egel
‘Vladi trek je er maar niets van aan’
Stoer en flink gaat ze voor de pesters staan.

Fragmenten uit manuscript:

Sprookjesdromen

“De zandkorrels die in je ogen komen
zorgen die dan voor leuke dromen?
die van mij vind ik vaak niet fijn
moet ik daarvoor misschien bij Klaas Vaak zijn
het is ’s avonds al heel laat
als ik er nog eens met mijn papa over praat
ik wil ook van die leuke dromen
waar moeten die vandaan komen?”


“Vanavond weet ik wat er moet gebeuren
nu ik naar bed moet, hoor je mij niet zeuren
met welk verhaal zal ik beginnen
ik ga mijn sprookjes zelf verzinnen!

Welterusten… Mijn ogen vallen bijna dicht
en ik trek de dekens vast tot aan mijn gezicht

Er was eens een groene draak in dromenland
die echt vuur spuwt en alles verbrand
ik wrijf nog eens in mijn ogen
maar die hebben mij niet bedrogen
Loekie het draakje huilt echt tranen met tuiten
waarbij hij vaak zijn neus moet snuiten
dat is niet eenvoudig want
bij elke snuit staat zijn zakdoek in brand”

Fragmenten uit manuscript:

“Felis de Spoe”

“Juf vertelt wat ze gaan doen op school vandaag. De klas gaat leren hoe je een eko moet klemen. Dat is zo ongeveer als een koe melken, alleen is een eko veel kleiner en kan klimmen in de bomen als een aap. En de klem is roze en smaakt naar aardbeien.
Farin weet allang hoe je een eko moet klemen, dus zit ze maar een beetje te dagdromen en staart naar buiten.
Ze vindt het maar saai op school. Eigenlijk vindt ze heel Pelandoro maar saai.
Dan ziet ze opeens een spoe lopen.
Een spoe lijkt een beetje op een poes, maar heeft twee staartjes en lange puntige oortjes. Felis is de dikke rode spoe  die altijd om de school heen zwerft. Ze heeft van die mooie rode strepen over haar vacht.
Niemand weet eigenlijk in welke boom Felis woont en of ze wel een baasje heeft. Felis is misschien niet eens haar echte naam.”

 Felis

” En dan, op een gewone dag, zit Farin in de klas, maar ze heeft het idee dat er iets mis is. ‘Mis jij ook niet iets?’ Vraagt ze aan haar vriendinnetje. Maar ze haalt haar schouders op en heeft geen idee waar Farin het over heeft.
Farin gaat dus maar door met haar papelmoes maken. Maar toch lukt het niet goed om haar aandacht bij haar werk te houden.
Ook in de pauze, met het buitenspelen, heeft Farin het idee dat er iets aan de hand is. Maar wat dan?”

Fragmenten uit manuscript:

Plien Ontploft!

Stel je dit eens voor: een heel gewoon meisje. Ze is aardig en gezellig, lief en goudeerlijk. Met een lieve papa en mama en een schat van een broertje.
Haar opa’s en oma’s zijn kampioen verwennen en dol op dit meisje. Ze heeft veel vriendjes en vriendinnetjes op school en de juf is zeer tevreden over haar werk. Zo perfect, dat bestaat niet zou je bijna zeggen. Maar toch wel hoor, dit is Plien!
Niets aan de hand dus.
Behalve één klein dingetje…. Op een dag gebeurde het!
Plotseling en onverwachts, zo voor de allereerste keer. Ze kreeg haar zin niet en werd ontzettend boos. Zo boos dat ze uiteindelijk ontplofte.
Vanaf die dag, als er bij haar maar iets niet naar haar zin gaat dan wordt Plien ontzettend boos. We worden natuurlijk allemaal wel eens boos, maar zo boos als Plien, dat is echt zeldzaam.
Ze wordt eerst een beetje rood, maakt haar wangen bol en knijpt haar ogen dicht.
Dan wordt ze steeds roder en roder en uiteindelijk paars. Ze gaat stampen met haar voeten, balt haar vuisten. Als je goed kijkt, zie je rook uit haar oren komen en de vonken lijken uit haar haren te schieten. Het lijkt dan wel te gaan stormen en een soort wervelwind draait om Plien heen. Totdat Plien uiteindelijk al schreeuwend ontploft!
Ze moet en zal haar zin krijgen.

Opa’s zijn er om te verwennen. Van opa’s mag altijd alles.
Ook opa Wim doet altijd leuke dingen met Plien en Pepijn. Samen met opa is het altijd dikke pret.
Na schooltijd fiets opa vaak met Plien nog even naar de kinderboerderij. Of hij gaat samen met Plien op de schommel. Opa Wim speelt graag spelletjes met Plien en doet nog veel meer.
Samen schooltje spelen vindt Plien het leukste. Plien is dan de juf. Maar opa maakt steeds de sommen expres helemaal verkeerd!
Daar wordt de juf heel boos van. En deze juf wordt roder en roder.
Papier en pennen vliegen door de kamer heen.
Opa Wim kan nog net de goudvis redden op zijn vlucht naar de gang en de poes gaat van schrik met een dubbele salto achter hem aan.
Als Plien weer is gekalmeerd, spelen ze na het opruimen weer verder.
Deze opa is lief maar alleen een beetje eigenwijs en blijft de sommen lekker verkeerd doen, tot de volgende ontploffing.

Elke dag is het wel een paar keer raak.
Iedereen is er eigenlijk wel een beetje aan gewend.
Als je niet midden in de wervelwind staat, valt het niet eens meer op. Niemand die meer echt naar Plien luistert.
Maar nu is ze toch al een poosje stil.
Wat zou er aan de hand zijn?
Als Plien ’s avonds in bad gaat is het meestal een grote spetter boel. Aan het einde van het badavontuur overal water, behalve in het bad.
Want wassen? Dat is niks voor Plien, die houdt daar absoluut niet van.
Zodra mama de kraan open draait begint het al.
Mama heeft altijd een lange regenjas aan als Plien in bad gaat. Want ja, Plien moet wel schoon gepoetst worden.
Want geloof me maar, een stinkende boze ontploffing is helemaal verschrikkelijk.
Net een stinkbom!
Vanavond moet Plien in bad en… er gebeurt helemaal niets!
Plien schrikt er zelf van. Wat gebeurt er nu?
Ze wil wel boos worden, maar het lukt niet.
Mama, dik ingepakt in de regenjas, merkt er eerst niets van, maar dan valt het toch op.
Een bad vol met water, geen rook uit haar oren, wat is er aan de hand?
Deze wasbeurt wordt Plien wel heel goed schoon!

 

Fragment uit manuscript:

Basje Bangerik

Het is weer zover.
Ieder jaar weer hetzelfde: papa en mama moeten zonodig op vakantie.
Maar deze keer trap ik er niet in. Als ik me verstop dan gaat die hele vakantie lekker niet door.
Ze gaan maar zonder mij. Dan blijf ik gewoon veilig thuis. In de kast op zolder, als ik me daar verstop dan vinden ze me nooit.
Papa en mama zoeken het hele huis door.
‘Basje waar ben je nou, we gaan weg!’
Muisstil blijf ik in mijn schuilplaats zitten. Al krijg ik het er wel een klein beetje benauwd. ‘Hé hallo, kiekeboo, gevonden! Kom eens gauw uit die kast jij boef. In de auto jij!’
Bah, nu moet ik toch mee. Gelukkig kan ik nu wel uit die donkere enge kast komen. Eigenlijk heb ik geen keus. Natuurlijk moet ik wel mee. Tenslotte kan ik niet alleen thuis blijven. Dat vind ik nog veel enger.
De hele reis maak ik me zo klein mogelijk onder een dekentje achter in de auto.
Het dekentje helpt wel, anders had ik niet verder dan de voordeur durven gaan.
Toch blijft er nog genoeg over om bang voor te zijn.
Waar zullen we terecht komen? Zijn er veel spinnen? Of misschien wel een hond?
Ook dat nog: ik moet een plasje.
Een vreemde WC op een vreemde plek, echt niet! Dan maar geen plasje doen.

Het wordt al donker als we eindelijk aankomen op de vakantiebestemming.
Voorzichtig kijk ik door een kiertje van mijn dekentje.
Lieve help, een spookhuis!
Vlug trek ik het dekentje nog strakker over me heen.
We komen steeds dichter bij een dreigend spookhotel. Donkere, hoge muren, helemaal begroeid met planten met duistere ramen ertussen.
Bovenop het hotel staan echte torens als bij een echt spookhuis.
Bij de ingang staan twee enge leeuwen. Ze zijn niet echt, maar ik doe het bijna in mijn broek van angst en natuurlijk ook omdat ik nu wel heel nodig moet plassen.
De lampen bij de poort lijken af en toe wel heel griezelig te knipperen.
Donkere wolken trekken over het hotel heen als een meneer met een heel onvriendelijk gezicht in een groen pak met gouden strepen naar de auto toe komt lopen.
O nee een monster!
Maar de meneer brengt alleen de koffers uit de auto naar het hotel.
Gaan we hier slapen? In dit spookhuis? Dat kunnen papa en mama toch niet goed vinden?Maar zij wandelen gewoon vrolijk babbelend het hotel binnen.
Nu kan ik het echt niet meer ophouden. Ik moet de auto uit op zoek naar een wc.

Als ik mijn plasje heb gedaan ben ik wel opgelucht, dat wel. Maar dan in een hoekje achter de wc lijkt het wel of ik een klein paars lichtje zie bewegen.
Zo snel als ik kan, ren ik, met mijn broek nog op mijn knieën de wc uit:
Mamaaaa…