De kunst van het verdragen

Vanmorgen reed ik wat dromerig, as always, op de fiets naar mijn werk. Het zou droog zijn, maar de miezerige regen zorgde toch voor aardig wat nattigheid. Dus maar even gestopt om mijn über charmante kanariegele regenponcho aan te trekken. Inmiddels ben ik toch wel zo wijs (of zo je wilt verwaarlozend) dat het me echt niet meer boeit hoe dat er uit ziet. Halverwege mijn 30 minuten durende rit werd ik uit mijn dromerij verstoord. Bijna bij het stoplicht aangekomen, kwam er een mama (zo geïnterpreteerd) met een enorme bakfiets (die tegenwoordig iedereen moet hebben om een beetje mama te zijn) van links. Ze had de vaart er goed in, maar ze moest overduidelijk dezelfde kant op als ik en dus ook door het groene licht heen. Dus met onverminderde vaart buffelde ik door, in mijn zweterige kanariepakje, tot ik tot mijn verbazing ineens ontdekte dat ze van plan was om me vol in de flanken te rijden!
‘Er staan toch niet voor niets haaientanden!’ Snauwde ze me toe. Sprakeloos liet ik me afsnijden en zag haar aan de overkant op de stoep verder scheuren, wat dan kennelijk ineens niet zo’n belangrijke verkeersregel was.

Noem me maar raar, of misschien herken je het wel, maar vervolgens ben ik de tweede helft van mijn rit vooral bezig geweest met het waarom? Met kloppend hart van de adrenaline en een semi-rotgevoel en daarmee mezelf ook weer afvragend waarom ik het niet los kan laten. Gedachten als dat ze die haaientanden ergens moet stoppen waar het donker is, blijven komen. De oorzaak van dit rotgevoel ligt ongetwijfeld ergens vast  in mij DNA of ergens in een verre herinnering, maar op dat moment vond ik het vooral gewoon een rotstreek, die ik nooit meer recht kan zetten, omdat ik het chagrijnige mens waarschijnlijk nooit meer zal zien.

Emoties zijn ergens goed voor, eens. Angst is handig als je tegenover een beer staat en boosheid komt best van pas om niet over je grenzen heen te laten lopen. Alleen betreft het hier de adequate emoties. Is dit nu wel zo adequaat? Achter haar aan racen en verhaal gaan halen was misschien totaal inadequaat geweest, maar het heeft ook weinig zin om me hier nog mee bezig te houden. Het is alleen helaas niet echt een vrije keus…

Rest me niets anders dan het gevoel maar te verdragen… En daar help ik mezelf graag een beetje mee: Ze zal wel een rot dag hebben. Of misschien zit ze net in de moppermodus met haar kinderen in die bak. Ongesteld? Of misschien heeft ze nu zelf een soortgelijk rotgevoel als ik. Maar het meeste helpt het om te denken dat ze vast jaloers is geweest op mijn gele kanariepakje!

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Roze veren

Auteur: Liselotte Schippers
Illustrator: Dick Rink

imageKlik op het boek voor het verhaal!

Als de roze uil op een dag uit zijn nest vliegt, wil niemand met hem spelen. Ze vinden roze uiltjes akelig en slap. Roze veren zijn voor meisjes en misschien geven ze wel af. Zou de slimme, kippige mol, wel met hem willen spelen?

Het roze uiltje krijgt er kriebels van.
Hij snapt zelf niet hoe dat kan.
Uil vind mol zo’n lieve schat,
hij is verliefd! Hoe vind je dat?

Een boek met rijmpjes over anders zijn, voor kinderen vanaf 4 jaar.


Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

 

Warm thuis…

Heel even neem ik de tijd om met mijn ogen dicht de heerlijke kaneeldampen op te snuiven. De verwarming brand goed. Mijn dikke wollen trui kriebelt onder mijn kin, terwijl het ijs op de ramen staat.
Mijn pauze was weer veel te kort. Gewapend met in mijn ene hand de warme thee en in de andere hand mijn lege lunchbox ga ik het tweede deel van mijn werkdag te lijf.
Vlug kijk ik nog even in mijn agenda. Hij staat goed vol. De eerste patiënt zit  al te wachten in de wachtkamer.
‘Goede morgen… eh middag.’ Ik schud hem de hand. ‘Liselotte, praktijkondersteuner huisartsen.’

Mark zie ik vandaag voor het eerst. Hij vertelt over zijn grote liefde, ze was alles voor hem. Maar zij wilde niet meer. Vorige week is ze met pillen er tussenuit gepiept. Zijn onmacht,  woede en intense verdriet vullen de kamer. Wat kan ik voor je doen? Praat maar, ik luister naar je en probeer de juiste dingen te zeggen.

De volgende. Joyce. Komt voor de derde keer. Ze is net bij haar vriend weg en vijf maanden zwanger. De eikel behandelde haar vreselijk en Joyce heeft het zelfvertrouwen van een pinda. Stel je grenzen meid, zorg goed voor jezelf én nu ook voor je kindje!

Henk heeft zo ongeveer alles in zijn leven tegen zitten. Werd vroeger fors mishandeld door zijn vader en een jaar geleden verloor hij zijn vrouw bij een verkeersongeval. In onze gesprekken was hij al zover gekomen met verwerken. Tot hij twee maanden geleden zelf werd getroffen door kanker. Mensen die zo oprecht  positief ingesteld zijn als hij, zie ik zelden. Gelukkig vertelt hij dat de eerste resultaten van chemo en bestraling er goed uit zien.

Mevrouw de Wilde, 73 jaar, vierde gesprek. Ze heeft na wat een dagopname had moeten zijn, een half jaar in het ziekenhuis gelegen. Alles ging fout.  Ze kon zo moeilijk accepteren dat ze nooit meer de oude zou worden. Maar nu heeft ze een date via Internet. ‘Dat helpt wel!’ Zegt ze lachend als een verliefde tiener.

De laatste. Weer een werkende moeder met kleine kinderen, die alle ballen in de lucht blijft houden. Uitgeblust, leeggezogen. Alle prioriteiten bij alles gelegd behalve bij zichzelf. Omdat dit schijnbaar niet anders kan. Het vrouw zijn in de huidige maatschappij is hier niet op ingericht. Maar het kan ook anders, vertel ik haar, net als al die andere vrouwen…

Nadat ik overleg met de huisarts heb gepleegd en de laatste rapportages in de computer heb gezet , sluit ik de computer af. Tijd om uit de emotionele rollercoaster te stappen.
Op de fiets slaat de winterse kou me om mijn oren. De kleine sneeuwvlokjes blijven in mijn wimpers hangen en maken mijn broek zeiknat.
Het is niet ver, maar ver genoeg om mijn vingers van de kou niet meer te voelen.

Even later zit ik met roodgloeiende wangen op de bank met een bont dekentje over mijn koude benen en voeten. Als een kacheltje ligt mijn jongste bovenop me en mijn oudste ratelt enthousiast door over haar belevenissen op school.
Het hele huis ruikt heerlijk naar de appeltaart die ze samen met papa hebben gebakken. Mijn liefste staat al in de pannen te roeren.
Ik ben warm thuis…

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Homoseksualiteit, een gevaar voor je leven…

Ik mijmer over het nieuws van 23 oktober j.l. over Irakeese mannen die belaagd werden naar aanleiding van een anoniem interview bij Nieuwsuur. Het betrof twee homoseksuele vluchtelingen uit de noodopvang in Apeldoorn. Zij vertelden in het interview, dat zij homodiscriminatie ondervonden in de opvang. Vervolgens werden ze toch herkent en in ieder geval lastig gevallen in de opvang.

De problemen die mensen met een homoseksuele geaardheid in Irak ondervinden zijn heel andere dan die van de grote groep vluchtelingen die in de opvang zijn ondergebracht. Los van oorlog, en andere problemen in het land, worden mensen met een LHTB geaardheid nergens en door niemand geaccepteerd. Vaak door familie verstoten en alleen ondergrondse ‘openheid’ met gevaar voor eigen leven. Geen openlijke voor of tegenstanders. Mensen kunnen vaak zelf niet eens accepteren met dit lot te zijn geboren. In Nederland komt dat ook voor, laat staan in Irak. Waar vrouwenbesnijdenis, stenigen en eerwraak gewoon nog bestaat. LHTB’s zijn zondaars en zijn een schandvlek voor de familie en de natie.

Wat moet het vreselijk zijn om geboren te worden in een gezin, in een omgeving, een land waar je niet geaccepteerd wordt om wie je bent. Iets wat onveranderlijk is, waar je zelf geen keus in hebt gehad.
Tofik Dibi gisteren bij DWDD: “Als je jezelf nooit herkent in een ander. Opgroeien in een wereld, waarin je jezelf nooit ziet in films, in series, in boeken, in liedjes. Je ziet jezelf nooit in je familie, in je omgeving. Als je jezelf nooit herkent in een ander, dan ga je twijfelen aan jezelf. Dan ga je denken dat je niet kan bestaan.”

Hier in Nederland kun je je met je LHTB geaardheid nog openlijk omringen door mensen die je liefhebben en wel accepteren. Gek doen bij de gaypride en als je wilt oogkleppen opdoen voor de mensen die niet tolerant zijn, maar in ieder geval wettelijk gezien geacht worden je met respect te behandelen. Ik denk dat het voor LHTB’s in Nederland zeker ook niet altijd even eenvoudig is. Programma’s als ‘uit de kast’, doen het goed. Maar er is geen direct gevaar voor je leven…

Volgens een thematisch ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie van LHBT’s is het nergens in Irak mogelijk om openlijk homoseksueel te zijn zonder gevaar te lopen. Op homoseksualiteit rust een groot taboe in de Iraakse cultuur. Hierdoor dreigen structurele discriminatie en geweld, zoals eerwraak. Er is in sommige delen van Irak zelfs sprake van gericht geweld door milities tegen LHBT’s. De autoriteiten nemen meestal geen maatregelen om discriminatie en discriminatoir geweld tegen LHBT’s tegen te gaan. Hierdoor is sprake van vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag van Genève.

Hier in Nederland op zoek naar acceptatie en bescherming voor wie zij zijn, worden ze bureaucratisch in een soortgelijke mini gemeenschap geplaatst.
Buiten dat het gewoon stom te noemen is dat de mannen na het interview toch herkent werden, vraag ik me af hoe het mogelijk is dat niemand deze escalatie heeft voorzien.
Groen-Links komt de dag erna, als mosterd na de maaltijd, met vragen voor college van burgermeester en wethouders om de positie van (seksuele) minderheden in de noodopvang te verbeteren. Is het nu werkelijk het plan om deze kleine mini maatschappij in snel-tempo te gaan hervormen? Een hervorming waar de Westerse maatschappij nog niet eens klaar mee is. Er zijn zelfs nog te veel Europese landen waar mensen met een LHBT geaardheid (nog) niet geaccepteerd worden. Ook in Nederland zelf en dus ook in het Apeldoornse is de tolerantie bij sommige mensen ver te zoeken.

De desbetreffende mannen zijn inmiddels vertrokken uit de opvang, op zoek naar een veiligere plek. Maar omdat het zo’n kleine minderheid betreft, moet het toch mogelijk zijn om buiten de standaard opvang voor vluchtelingen, hiervoor juist DE organisaties in te zetten die van nature en liefdevol die acceptatie en bescherming bieden voor mensen met een LHBT geaardheid? Laat men daar nou eens het politieke brein over breken!

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Kort verhaal over kindermishandeling. Afschuwelijk dat het nog steeds kan gebeuren dat kinderen in een kast opgesloten worden! 'Mijn broertje Olivier'

Mijn broertje Olivier

Het is aarde donker. Zachtjes wrijf ik over de zere plekken op mijn armen.
Waarom toch? Wat heb ik verkeerd gedaan?
Voorzichtig probeer ik me om te draaien in de krappe ruimte. Hoe lang zou ik hier al zitten en hoe lang duurt het nog? De tranen op mijn wangen zijn opgedroogd en de plas die ik moest laten lopen voel ik al niet meer.
Beneden hoor ik haar nog steeds razen tegen mijn twee jaar jongere broertje Olivier.
Als ik bijna in slaap val, wat haast onmogelijk is in deze houding, schrik ik wakker van de krakende trap. Ze komt er aan!
Al mijn spieren verkrampen en ik knijp mijn ogen dicht. Na wat gerommel aan het slot, gaat met een zwaai de deur van de trapkast open.
‘Zo jij rotjoch! Kom jij er maar eens uit’. Met haar hand, met de akelig lange nagels wil dat pleegmens me grijpen en ik deins achteruit.

Gillend als dat kleine kind van toen, schiet ik overeind in bed. Het zweet gutst van mijn lijf. Drie uur zegt de wekker. Naast me ligt mijn vrouw Dorien luid te snurken en gaat daar onverstoorbaar mee door.
Het was een nachtmerrie, zoals bijna elke avond.
Dorien is er ondertussen wel aan gewend geraakt. Bijna elke avond komt dat mens van vroeger weer terug in mijn dromen. Ziek ben ik er van.
Als mijn ademhaling weer tot rust is gekomen, kruip ik tegen Dorien aan op zoek naar een beetje troost. Wachtend tot de slaap me weer te pakken heeft.

Olivier heeft straf gekregen, waarvoor weet ik niet en hij waarschijnlijk ook niet.
Hij staat nu al een uur in de koude regen in zijn hemd en onderbroek. Ik probeer niet naar buiten te kijken, me er niet mee te bemoeien, anders ben ik aan de beurt.
Ik speel wel met de lego, maar van binnen huil ik en ben ik bij Olivier. Hij is nog zo klein.
Ze schopt mijn bouwwerk kapot, maar zonder iets te zeggen raap ik de boel weer bij elkaar en begin opnieuw. Daar wordt ze alleen maar nog bozer van. Ik snap er niets van, maar veel tijd om er over na te denken krijg ik niet. Voor ik het in de gaten heb hang ik aan mijn oor te bungelen en prikken haar gore lange nagels me in mijn vel. Aan mijn oor word ik naar boven gesleurd.
‘Jij denkt dat je het altijd beter weet hé snotjong! Ga uit mijn ogen! Naar je bed!’
Met een klap kom ik neer op de grond van de slaapkamer en de deur wordt dicht gesmeten.
Veel later, ik weet niet hoeveel maar het is al donker, schrik ik wakker omdat er plotseling een koude stroom lucht onder mijn dekens doorkruipt.
Het is Olivier. Een natte en verkleumde Olivier die naast me onder de dekens kruipt.
Ik sla mijn arm om hem heen en knip het nachtlampje aan. Zijn ogen kijken me met zo’n intense pijn en verdriet aan. Er gaat een rilling door me heen, gevolgd door een pijnscheut van verdriet. Mijn schuldgevoel raakt me zo keihard, dat mijn maag ervan omdraait.

Met een schok ben ik weer wakker, terug in mijn eigen bed, naast Dorien.
Even knippert Dorien met haar ogen en fluistert zuchtend, ‘ga toch slapen’.
Ja slapen, kon ik maar gewoon gaan slapen, de nacht duurt nog zo lang.
Ik durf allang niet meer gewoon te slapen. Mijn nachten zijn al zo lang zo beangstigend, dat ik het liefst nooit meer zou slapen. De sterren staan nog volop te schitteren aan de hemel, maar voor mij is het een pikdonkere nacht en mag het al weer ochtend worden. Vier uur, er lijkt weer geen eind aan te komen. Maar uiteindelijk stelt de geur van Dorien me gerust , zodat ik weer langzaam weg kan glijden in die onrustige slaap.

Olivier ligt niet meer naast me. De plek waar hij heeft gelegen is nog nat van de regen, maar Olivier is er niet meer. Nergens in huis kan ik Olivier vinden.
Mijn hart begint sneller te kloppen en ik ben op mijn hoede. Wat heeft ze met Olivier gedaan! Ik durf het haar niet te vragen.
’s Avonds nadat ik een bord eten toegeschoven heb gekregen, krijg ik als toetje de mededeling dat Olivier weg is en niet meer terug komt.
Nee! Dat kan niet, dat mag niet, Olivier is mijn broertje!
Ik durf niets te zeggen, alleen de tranen kan ik niet tegenhouden.
‘Huilen! Jij huilen! Ik zou moeten huilen’ en ze slaat me zo hard dat mijn gezicht in mijn bord beland.
‘Ga je wassen, stuk ongedierte!’ Als een machine was ik mijn gezicht en daarna rol ik me op als een bolletje in mijn bed. Nooit meer wil ik uit mijn bed komen.
Waar is hij? Wat moet ik nu zonder Olivier. Wie zal hem nu beschermen. Of leeft hij niet meer. Misschien heeft ze hem wel doodgeslagen, vermoord!

Dit keer word ik huilend wakker van Dorien die mij zachtjes in haar armen wiegt.
Het is fijn, maar ik schaam me ook. Een grote kerel huilend als een kind in de schoot van zijn vrouw. Huilend om Olivier. Weer voel ik dezelfde leegte als toen en er gaat geen dag voorbij, dat ik niet aan hem denk. Nooit heb ik meer iets van hem gehoord. Ik heb gezocht, maar niet gevonden.
Zonder iets te zeggen blijft ze me een poosje zo wiegen.
Wat voor een mens ben ik toch, gebroken, beschadigd, niets meer waard. Geen vrouw waard. Maar Dorien blijft me stevig vast houden.
De minuten tikken door op de wekker. De slaap heeft me bijna weer te pakken. De hel van deze nacht is nog steeds niet voorbij.

Steeds dieper kruip ik onder de dekens als ik haar de trap op hoor stampen. Maar ik wil niet meer naar school, ik wil niet meer leven.
Met een zwaai gaat de slaapkamerdeur open. Zonder iets te zeggen grijpt ze me bij mijn haren en sleurt me het bed uit. Gillend van de pijn rol ik achter haar aan de trap af.
Onder aan de trap blijft ze staan. Met de plukken haar met huid en al in haar gore handen. Even lijkt ze er van te schrikken, maar dat was misschien mijn fantasie, want al snel begint het schreeuwen.
‘Je denkt toch niet dat je als een lui varken in je bed kan blijven liggen! En ik zeker gezeik krijgen met school! Opsodemieteren!’
Ze slaat de voordeur achter me dicht.
Mijn hoofd bloed. Kleine straaltjes bloed druppelen op mijn pyjama. Ik durf de school niet in en sta buiten voor het raam te kijken. Niemand die me ziet, niemand die me mist.
Ik hoor er niet bij. Ik hoor bij niemand.

Weer wakker wrijf ik over de kale plekken met littekens op mij hoofd. Mijn leven vol littekens. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat ik bij dat vreselijke mens moest blijven wonen. Waarom heeft niemand een hand uitgestoken, waarom was ik zo alleen.
Dorien kruipt in haar slaap dichter tegen me aan en bedekt mijn littekens.
Die verdomde nachtmerries. Ik wil rust. Wegvallen in een diepe vergetende slaap.
Als ik me omdraai, weg van de dromen, voel ik mijn ogen weer zwaar worden.

Het lijkt een gewone dag net als andere, alleen is het mijn verjaardag. Ze zal niet eens weten dat het mijn verjaardag is.
De laatste tijd is het rustig. Ik denk dat ze bang voor me is. Ik ben te groot en te sterk geworden.
Al de hele week word ik gevuld met een gemengd gevoel van onbestemde angst en spanning en een vreemd soort rust. Nu ik oud genoeg ben, kan ze me niets meer maken.
Ik blijf geen minuut langer meer in deze hel. Ik vertrek.
Lange tijd, ik weet niet hoeveel weken, zwerf ik door verschillende dorpen en steden om maar zo ver mogelijk bij haar vandaan te komen. Af en toe slaap ik kort in een parkje, eet uit een prullenbak, maar ik moet verder, ver weg van haar.
De laatste dag van mijn zwerven word ik gewekt door een aardig uitziende oude man.
Zijn weiland met paarden was mijn slaapplek die nacht.
Met zijn ruwe maar vriendelijke werkhanden trekt hij me omhoog en laat me niet meer los. ‘Hoe heet je jongeman?’ Met mijn ogen knipperend tegen het felle zonlicht vliegen gedachten razendsnel door mijn hoofd. Zonder aarzelen noem ik een naam die mijzelf verrast en vanaf dat moment lijkt het of de deur van een nieuw leven een klein beetje open gaat. Hij neemt me op en zegt dan: ‘Volgens mij kun jij wel een goede boterham gebruiken!’

De zon schijnt door een kiertje van het gordijn. De donkere nacht is voorbij. De deur van mij leven staat nog steeds op een kier. Maar slechts een kier geeft al zoveel meer licht. Dorien komt de slaapkamer binnen. ‘Olivier, ben je wakker? ‘
Oliver, mijn broertje, ik zal je nooit, maar dan ook nooit vergeten.

Links:
Veilig thuis
Stop Huiselijk Geweld
Advies en Meldpunt Kindermishandeling

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Ochtend blues ‘Is het zo’n ochtend?’ Vraagt ze en ik knik.

Ochtend Blues

Zacht dringen de klanken van een vreselijk irritant liedje op de wekkerradio door. Wat voor dag is het? Zondag? Maandag? Moet ik werken of ben ik vrij?
Dinsdag. Werken dus…
Gelijk maar twee benen over de rand, dan kan ik me niet meer bedenken. Vanaf dat moment begint de machine te draaien: opfrissen, aankleden, optutten, kinderen wekken, brood smeren, kinderen wekken, tafel dekken, haren kammen, kinderen wekken, kinderen aankleden…
‘Mama, deze broek zit echt niet lekker…’
Nog even de strijd die ik door half slapende toestand en omwille van de tijd toch verlies.
Eenmaal aan tafel het eeuwige getreuzel alsof het vakantie is en er niemand naar school of werken moet.
‘Neem een hap, drink je melk op, zit stil. Ik kan er wel een bandje voor maken’ zeg ik. Waarop mijn oudste adequaat reageert met: ‘mama, wat is een bandje…’
Ondertussen probeer ik onder luid en dramatisch protest wat haren in elastiekjes te fatsoeneren.
Heeft iedereen zijn melk op? Iedereen zijn poedertje, pilletje of drankje gekregen? Mooi dan kunnen de schooltasjes ingepakt worden.
Wie moet er naar gym? Nee geen lekkende beker!
Geld mee voor een vertrekkende juf, de oudste moet een vriendenboekje niet vergeten en o ja… de brief voor de schooldokter moet nog ingeleverd worden. Waar heb ik die gelaten?
Shit de achterkant moet nog ingevuld..
Met een pen die af en toe schrijft vul ik de laatste vragen in en zie van uit mijn linker ooghoek dat ze wel spelen en de tasjes nog niet ingepakt zijn.
‘Meiden! Tas inpakken, we moeten bijna weg.’
De brief voor de schooldokter gaat in de enveloppe en ik lik ‘m dicht, waarbij ik natuurlijk venijnig in mijn tong snij.
‘Jassen aan schoenen aan!‘
‘Nee die schoenen wil ik niet aan’.
Deze strijd, nu wat wakkerder, win ik wel. Gewoon omdat slippertjes met deze temperatuur echt geen optie zijn.
We hebben nog tien minuten, dat gaan we wel redden, denk ik nog optimistisch.
Maar als ik eenmaal buiten sta, merk ik dat de buienradar er weer eens naast zat. Het regent juist nu en heel hard.
‘Kom op meiden even meewerken, regenpakjes aan!’ Ik hijs mezelf ook in het verstikkende zweet producerende pak.
‘Ik doe dat pak echt niet aan hoor! Het zit niet lekker!’
‘Ach kind dan regen je toch lekker nat.’
Ik heb geen zin of energie meer voor de volgende discussie en trek het pak bij de jongste aan, waarbij ik de druppeltjes al over mijn rug voel stromen.
‘Mama, ik moet poepen…’ En vervolgens: ‘Ja, ik moet ook nog naar de WC.’
Het huilen staat me nader dan het lachen. Hevig mopperend trek ik het pakje weer uit, kind op de wc en pakje weer aan.
Op school aangekomen, te laat natuurlijk, kijken alle kinderen voor het raam wie er zo laat nog aan komt.
De juf kijkt een soort van hoofdschuddend naar mijn ene natte kind en op haar horloge. Ik probeer een nonchalant hoofd te trekken alsof het me niet boeit wat ze denkt, maar ondertussen voel ik van binnen iets heel anders.
Van mijn oudste krijg ik met een boos gezicht, om duistere pre puberale redenen, desondanks toch een knuffel en een verdwaalde kus. Bij de jongste veeg ik nog even de chocopasta van haar wangetjes. Ze slaat haar mollige armpjes stevig om me heen, waarbij waarschijnlijk de laatste restjes chocopasta in mijn haar verdwijnen. Maar dat geeft niet. Hier doe ik het voor.
Als de jongste droog en wel in de klas zit kan ik, in alle rust op mijn fiets door de regen, naar mijn heerlijk rustige werk.
Op het werk waar mijn baas mijn onweer gezicht goed kan lezen en vlug uit mijn gezichtsveld verdwijnt. Terwijl ik mijn post uit mijn postvak haal en een bakkie thee uit de automaat tap, plukt een lieve collega de chocopasta uit mijn haar.
‘Is het zo’n ochtend?’ Vraagt ze en ik knik.
Ja, het is zo’n ochtend…

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Het vreemde huis

‘Oma ik heb zo’n honger en ik moet zo nodig’. ‘Nou Suus, dan moeten we hier maar even aanbellen. Je mag vast wel even plassen en misschien hebben ze ook nog wel een boterhammetje voor je.’ ‘Oma doe toch niet zo raar’, bromde mijn grote broer Tom. ‘Nee, als Suus moet plassen, moeten we toch wat, anders doet ze het nog in haar broek’, zei oma beslist. ‘Oh kijk nou, de deur gaat helemaal vanzelf open! Er is helemaal niemand thuis…’ Donderdag was Omadag. Paps en mams waren dan niet thuis en oma haalde ons van school. Oma kon dan, tot grote ergernis van paps, nog even goed poetsen en ’s avonds stond het eten al klaar. Oma at natuurlijk mee: macaroni, elke donderdag. Oma duwde onze eigen voordeur open en riep alsof het echt was: ‘Is daar iemand!’ Het was grappig en bijna spannend. Vol verwachting keken we nieuwsgierig door de open deur naar binnen in het ‘vreemde’ huis. ‘Ga dan maar snel even naar de wc Suus, er is toch niemand.’ ‘Maar oma’ speelde ik heel serieus mee, ‘je mag toch niet zo maar in een vreemd huis gaan plassen?’ ‘Ach dat vinden ze vast niet erg. In zo’n mooi huis wonen vast heel aardige mensen’. Oma had overal antwoord op. Tom kon het niet laten en deed toch met ons mee: ‘Zal ik kijken of ze hier een broodje voor ons hebben?’ ‘Ja doe jij dat maar. Wat een ontzettend mooi huis hè?’ Samen met oma bewonderde ik alle spullen alsof we ze voor het eerst zagen… ‘O kijk nou oma! Ze hebben ook een slaapkamer met een kinderbedje! Dan kan kleine Pim hier ook even zijn middagslaapje doen.’ ‘Nou ja zeg, ze hebben ook een meisjes fiets in de schuur waar ik precies op pas oma!’ Het hele huis werd doorzocht en opnieuw ontdekt. En wat bleek? Er woonde een jongen nèt zo oud als Tom en een baby nèt zo oud als Pim. En het meisje wat er woonde was toevallig nèt zo oud als ik. Nu was het toch al zo laat geworden dat oma ook maar wat moest gaan koken. Gelukkig vond ze nog een groot pak macaroni in de kast. Ach nu we er toch waren konden we er ook wel blijven slapen, er waren precies genoeg bedjes. Steeds weer een ander huis, steeds weer een ander avontuur, steeds meer mooie herinneringen.

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

Ik praat wel, want jij zegt niets…

Waarom zou je jouw verhaal vertellen… Vertellen over hoe je vader vlak na je geboorte naar Nederland vertrok. Uit je prille leventje om met een andere vrouw te trouwen. Dat hij je achter liet. Over je moeder die geen tijd, geen aandacht voor je had.

Erg genoeg, maar dat was allemaal nog te overkomen. Je oom en tante namen je liefdevol op en je kwam niets te kort. Ook niet toen jullie hele wijk vernield werd door oorlog en bombardementen en je geconfronteerd werd met al het leed en de dode mensen om je heen. Je tante was er voor je.
Dat je tante vermoord werd, na het overlijden van haar man, jouw oom, door haar bloed eigen familie uit hebzucht? Over hoe ze stierf in je armen. Moet je me daarover vertellen? Ik praat wel, want jij zegt niets…

Niets over de familie waar je toen als tiener moest gaan wonen. Waar je werd misbruikt en mishandeld door je eigen familie. Over de vlucht naar Nederland, naar je vader, wat moest je anders? Waar je vader zorgde voor alles wat je nodig had om niet meer gevonden te kunnen worden door hen die jou haatten en je kapot maakten. Alsof je oude leven is uitgewist. Niets vertel je over de vrouw die jouw vader trouwde, maar jou niet kon verdragen, je mishandelde en zorgde dat je op jonge leeftijd uit huis ging en moest trouwen met een vreselijke man. De man die je kleineert en feilloos de pijnplekken weet te raken uit je verleden.

Ik zeg dat het teveel leed is voor één mens om te kunnen dragen. Waarom jij?
Waarom de dode mensen die ’s nachts door je hoofd spoken. Waarom het misbruik en andere smerigheid wat iedere nacht weer terug komt. Je staat er mee op en gaat er mee naar bed. Waarom die pijn die je nog letterlijk voelt van alle dreunen die je kreeg, de pijn in je hart, je verdriet, onverdraaglijk.
Onverdraaglijk om over te praten.
Ik praat wel, want jij zegt niets…

Nu ben je alleen.
Komt het ooit nog goed? Je bent kapot gemaakt… Zijn de stukken nog te lijmen?
Verlaten door iedereen, door ouders, familie, door iedereen.
Je vind mij lief, maar hier in dit land ben je voor veel mensen ook niet welkom.
Ik praat wel, want jij zegt niets… Maar je schreeuwt van binnen…
HELP ME…

Wil je op de hoogte blijven? Schrijf je in voor de nieuwsbrief:

sint pakt uitSint pakt uit

Miralovesbooks presenteert de cover (Dick Rink) voor:

“Sint pakt uit”

De opbrengst van deze sinterklaasbundel is geheel voor het goede doel.
Verschillende bekende en minder bekende auteurs en illustrators hebben de afgelopen maanden zich in het zweet gewerkt om iets moois te creëren.

Van mijn hand verschijnt in deze bundel het verhaal:
‘Verdrietig hoopje Sinterklaas’.

Fragment:

Maar wat zie ik daar?
Dat is reuze raar!
Het is de goedheiligman!
Daar snap ik echt niets van.
In de tuin, het is zo dwaas,
zit een verdrietig hoopje Sinterklaas.

Je kunt nu al het boek reserveren via info@miralovesbooks.com, of gewoon via de boekwinkels met ISBN 978-90-822882-7-8

Mijn ‘Roze’ Project

Dick Rink heeft illustraties gemaakt van achtergronden, karakters en objecten. Door deze met elkaar te combineren, kon ik zelf bepalen hoe de illustraties in mijn verhaal er uitzien.

Toen het verhaal er lag was het even puzzelen en schuiven, maar ik ben er uit!

Uiltje

Het verhaal vertelt op een luchtige manier over het roze Uiltje dat niet geaccepteerd wordt. Zijn roze veren zijn voor meisjes en misschien wel besmettelijk! Gelukkig wil de lieve Mol wel met hem spelen. Dat geeft Uil een fijn gevoel.
Hij krijgt er zelfs de kriebels van!
Uil is verliefd!
Wat zijn de andere dieren jaloers…

Ook net zo benieuwd als ik wat Dick Rink er van gaat maken? We gaan het zien, wordt vervolgt!